Stoelen matten (Rieten en Biezen)

Het stoelenmatten is een zeer oud beroep, dat slechts weinigen beoefenen.

In 1923 ontdekte men in het graf van Toetanchamon (1354-1346 VC) een gevlochten rustbed, lijkend op de huidige techniek van matten. In de Nederlanden en Engeland kenden men het stoelmatten van in de 17de eeuw. De grote bloei kwam in de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw, voornamelijk met de thonetstoelen. Wereldoorlog II bracht de teloorgang van het beroep bij gebrek aan grondstoffen.

De laatste jaren kwam het riet opnieuw volop in de belangstelling en dus ook de gematte stoelen.

Als materiaal gebruikt men riet, afkomstig van de bast van rotan, een klimplant die voornamelijk op Java en Borneo en andere streken van AziŽ en Afrika groeit en die ook het gekende Ďpitrietí levert.

De Brabantse stoel met gevlochten zitting komt al voor op afbeeldingen uit 1160.

Als vlecht materiaal gebruikt men biezen, die groeien langs dijken en moerassige plaatsen. De plant bereikt een lengte van meer dan twee meter en de kleur verschilt van groen tot bruin en geel.

In de zomer bloeit de bies met bruine kegels. De beste biezen komen uit Nederland : ze zijn korter en sterker dan de anderen, lichter van tint, wat te wijten is aan het met de getijden binnenstromend zout water. De biezen worden elke twee jaar geoogst, meestal in juli. De stengels worden zo diep mogelijk onder water afgesneden en worden daarna in de schaduw gedroogd. Eens goed droog worden de biezen in bussels gebonden en op een droge plaats bewaard.

Voor men de biezen verwerkt, worden ze vochtig gemaakt om ze soepel te krijgen. Men draait ze in elkaar tot koorden van gelijke dikte, die rond de zittingslijsten gevlochten worden tot men een soort kussen verkrijgt met het gekende patroon.

home