Mandenvlechten

Het geschiedkundig tijdstip van het ontstaan ligt niet juist vast. Algemeen wordt aanvaard dat het een van de eerste bezigheden van de mens was om voorwerpen te vlechten om vruchten in te verzamelen en te bewaren. Later zou men in vlechtwerk klei uitstrijken om zo vloeistof vast te houden, wat later zou evolueren naar het pottendraaien.

Na de tweede wereldoorlog, vooral door de opkomst van de plastiek en door de toenemende invoer uit het Verre Oosten, is het beroep van mandenvlechten hier in het Westen gaan afbrokkelen.

Tenen of wijmen, dunne maar taaie wilgentakken, die vooral kort bij de grond gekweekt worden, vormen het voornaamste materiaal van de mandenmaker. De wissen worden in het najaar geoogst en na eventuele bewerking en ontschorsing, bewaard in een schuur of zolder. Voordat ze verwerkt kunnen worden, moeten de wissen enkele uren tot dagen in water geweekt worden, anders zijn ze te hard en is het onmogelijk ze naar wens te plooien.

Daarnaast gebruikt de mandenvlechter de volgende werktuigen : een mes, een schaaf, een klopijzer, een kliefhout, een punt, een snijtang en een uitsteker. Vooral zijn er sterke handen nodig om de taaie tenen te plooien en de juiste vorm te geven.

Eier- en kaasmandjes, valiezen, koffers, duivenkorven, aardappelmanden, schommelwiegen, verpakkingen en vele andere nuttige gebruiksvoorwerpen worden met wijmen gemaakt.

home